OVER TAALBOEKEN

Deze aflevering van de boekencolumn gaat dit keer nu eens niet over een auteur die romans, novelles, gedichten etc. heeft geschreven. Nee, het gaat over boeken die de Nederlandse taal als onderwerp hebben. Over het Nederlands zijn honderden boeken geschreven dus moet ik me beperken tot enkele die mij hebben aangesproken. Ik zal er  een paar de revue laten passeren. Ik laat hier verder briljante taalvernieuwers, vaak cabaretiers als Kees van Kooten en Wim de Bie buiten beschouwing, evenals cabaretier Drs.P (“wee o wee, hij is naar de ratsmodee”), Jan Rot (hertaler), columniste Paulien Cornelisse (“taal is zeg maar echt mijn ding..”) en een stuk moderner De Jeugd van Tegenwoordig (“Watskeburt”).

Boeken over taal waar denk je dan aan? Woordenboeken, encyclopedieën, letterkundige werken, lesboeken? Een boek dat mij als taalcoach erg beviel is “ Het Grote Taalboek” (ondertitel “Alles over taal in eén boek”) geschreven door taalliefhebber en veelschrijver Wim Daniels

Dit prachtige boek, verschenen in 2010 met vele herdrukken, maakt in alle opzichten waar wat het belooft “van klinker tot lettergreep, van werkwoord tot voornaamwoord van apostrof tot trema, van dialect tot jongerentaal, van gedicht tot woordenboek…” enz. Het beschrijft het ontstaan van taal en het Nederlands, de plaatsen waar Nederlands wordt gesproken, de dialecten, vaktalen, relatie tot andere (vreemde) talen. Ook worden klanken en letters besproken, vorm, spelling en soorten woorden, zinnen en leestekens. Tenslotte schrijft auteur Daniels over het ontwerpen van teksten, tekstvormen (opstel, interviews, artikel etc.)  en over proza en poëzie. Het boek is bijna volledig want het behandelt ook vaardigheden die voor tekstexpressie nodig zijn zoals schrijven en spreken voor publiek, debatteren en argumenteren. Tenslotte  bespreekt hij het thema “spelen met taal” in de vorm van woordpuzzels, bordspelen, letterkeer. Dit boek van amper 270 pagina’s is kortom een aanrader, je steekt er veel van op en het leest uitermate plezierig! Ik gebruik dit fraaie boek veel als taalcoach bij lessen aan  vluchtelingen en statushouders.

Een ander boek van taalchroniquer taalschepper Jan Kuitenbrouwer met als titel “Totaal Hedenlands” verscheen acht jaar eerder in 2002.

Hij beschrijft 20 jaar taaltrends in tal van maatschappelijke sectoren zoals politiek (Pimtaal, Beataal), stijl (vet cool, afko, lullo), samenleving (Tamboer-maîtresse, Obees), buitenland (Nederdutch), economie (makelspraak, taal van makelaars), media (soapumentainment, journaalspraak). Kuitenbrouwer is ook uitvinder van de turbotaal waar hij overigens nooit een definitie van heeft gegeven……Maar je kunt turbotaal opvatten als de taal die is bedoeld om indruk te maken op je omgeving en vaak gebruikt wordt door mensen met prestige zoals specialisten, topsporters. Anderen met ambitie gaan die turbotaal overnemen om ook zo’n prestige te verwerven. Zo heeft een ziekenhuis zijn turbotaal, de taal van de gearriveerde specialisten die een assistent in opleiding zich zo snel mogelijk eigen maakt.

En zo heeft ook een hockeyclub zijn eigen turbotaal, een taal die de topspelers onderling spreken en die door junioren wordt overgenomen. Jan Kuitenbrouwer was ook de eerste auteur die de spraakkunst van Johan Cruijff  beschreef en de taal van van Gaal karakteriseerde.

Een ander bijzonder aardige publicatie gaat over taalgebruik in officiële documenten, overheidsbrieven, zakelijke brieven etc. Het heeft als titel “De taal van mr. Jip van Harten en dr. Janneke Bavelinck” (redactie Simo Goddijn e.a., 2011).

Het behandelt de dagelijkse communicatie tussen overheden, bedrijven, banken en hun (miljoenen) klanten. Vaak ligt het aan de taal van overheden en bedrijven die abstract, onnauwkeurig en zelfs soms zo onbegrijpelijk is dat er enorme misverstanden, miscommunicatie ontstaan Neem het verhaal van de spitsstrook op de drukke A1 bij Hoevelaken. Die bleef jarenlang dicht omdat het ministerie van Verkeer en Waterstaat een uitspraak van de Raad van State niet begreep en daardoor de spitsstrook heel lang ongebruikt liet. In het boek wordt Albert Einstein geciteerd die ooit  (bijna Cruyffiaans) opmerkte “als je het niet eenvoudig kunt uitleggen, snap je het zelf niet”. Ander voorbeeld (het boek bevat tientallen): veel mensen denken dat als er in een brief van de bank over een “aflossingsvrije hypotheek” wordt gesproken, zij alleen maar rente hoeven te betalen. En ook dat ze hun lening niet hoeven terug te betalen! In 2019 besloot het kabinet Rutte IV om ambtenaren duidelijk te leren schrijven, ook met als reden dat laaggeletterden (ruim 2 miljoen) overheidsbrieven beter konden begrijpen.  Men richtte de “Direct Duidelijk Brigade” op, een groep bestaande uit honderd taalcoaches die het hele land introkken om ambtenaren te leren “klare taal” te schrijven…

Een taalauteur die de afgelopen jaren behoorlijk aan de weg heeft getimmerd is  Japke -d. Bouma . Zij schreef 11 boeken over taal, taalgebruik, taalvervuiling en jargon die voornamelijk haar columns bevatten die zij voor de NRC schreef. Boeken met  opvallende titels: “Uitrollen is het nieuwe doorpakken”, 2016) en “Ga lekker zelf in je kracht staan”, 2017. Bouma kun je beschouwen als een soort Taalpolitie (daar zal ze het waarschijnlijk niet mee eens zijn…).In 2016 concludeert ze in haar column “Jongens, ik stop ermee”! Ik heb dit jaar het primair proces versterkt, bevlogen en betrokken geparticipeerd en gestuurd op output; ik heb losgelaten en verbonden en “nu is het genoeg geweest”! Ik heb in deze krant met veel plezier jeukwoorden gefileerd. Maar de laatste tijd hoor ik mijn columns als een echo terugkomen in beleidsnota’s, toekomstvisies, communicatieplannen, jaarverslagen….
Het leek wel of het steeds erger werd. Heel erg is bijvoorbeeld de uitdrukking “waarde creëren”. Bouma’s reactie “ lieve mensen, alles heeft waarde, als je een drol draait heb je nog waarde gecreëerd”. Bouma schrijft dat ze heel veel reacties kreeg op haar columns. Het mooiste zou zijn schreef iemand dat er boetes uitgedeeld worden voor iedereen die jeukwoorden gebruikt. Maar stelt ze, we kunnen ook zelf in de aanval gaan en keihard terugslaan. Plan een willekeurig voorzetsel voor of achter aan een werkwoord waardoor je zinnen krijgt als “ik kan niet zelf naar de uitrol gaan want ik ben iets aan het opdenken”. En “als jullie dat ontzorgen ga ik even tussenlezen, inboren en uitparkeren”. Als uitsmijter komt Bouma met deze zin “als iedereen doorkakelt, moet je opschalen”.

Een uitermate uniek boek dat ik hier wil noemen is een publicatie van Battus, pseudoniem van Hugo Brandt Corstius, wis- en taalkundige, schrijver en zeer veelzijdig columnist en polemist. Hij schreef in 1990 “Opperlandse letterkunde”, een niet alledaags boek  (een groot understatement) waarvan de waarde en betekenis zich alleen in superlatieven laat uitdrukken: briljant, uniek, absurd, geniaal, vermakelijk een must read voor elke taalliefhebber. We kunnen dit prachtboek slechts aanstippen, een bespreking zou in deze rubriek veel te ver voeren……

De schepper, de taalvirtuoos van het bijzondere spel met het Nederlands, het Opperlands, was in zijn tijd beroemd en in bepaalde kringen berucht. Maar wat is Opperlands  eigenlijk? Opperlands is volgens de auteur “Nederlands met vakantie”. Opperlands ziet er op het eerste gezicht net zo uit als het Nederlands maar Opperlands is dan ook bedoeld voor “het tweede gezicht”. De Opperlander als persoon ziet de Nederlandse woorden en zinnen niet om er wijzer van te worden maar om van te genieten. Battus schrijft in een verzamelbundel “Ik heb iets in mijn hoofd en ik wil dat u datzelfde in uw hoofd krijgt; de truc gaat met letters, woorden en zinnen

Het Opperlands hoeft in tegenstelling tot het Nederlands. geen betekenis te hebben. Woorden en zinnen zijn om mee te spelen als een soort sport. Maar nog beter ze zijn object van kunst in onnoemelijk veel vormen en uitingen.

In Opperlandse letterkunde bespreekt Battus er ruim 95 die hij in negen hoofdstukken indeelt in zogenaamde woord-grammen. Ik noem als voorbeeld het “palingram” d.w.z. woorden of zinnen die als je ze eerst normaal leest en daarna omgekeerd van achter naar voren weer een woord vormen, een letterlijk synoniem dus. Bijvoorbeeld meetsysteem, paalaap, melklepelklem. Ook een zin als “ Mooi dit idioom”! vormt een palingram. Battus geeft een overzicht van tientallen palingrammen. Wat verder volgt is het “dubbelgram” of het anagram: van dezelfde letters vorm je een nieuw woord. Bijvoorbeeld klankbord – brandklok, reiskleed – kiesdeler, theoloog – oogholte.  Maar ook woordverwisseling valt onder dubbelgram. Hier citeert Battus de befaamde dierendichter Kees Stip:

  • Een muis, op zoek naar kruimels kaas.
  • Kroop in de baard van sinterklaas.
  • Wel eerder sprak de sint bedaard
  • Werd door een berg een muis gebaard.
  • Maar dit is wonderlijk, bij Zeus:
  • Hier bergt zowaar een baard een muis.

Daarop volgt nog een reeks “grammen”: hypergram, epigram, xenogram. In xenogram maakt Battus uitstapjes naar andere talen, naar het Opperengels, Opperfrans, het Oberduits. Wat komen we verder tegen in dit boek? Fraai rijmende woorden als rompslomp, koiboi, hoteldebotel. Of innerlijk tegenstrijdige woorden als vol-ledig, bas-alt.  Ook voorbeelden van woorden die bijna Pools van vorm zijn met veel (in dit geval 8) medeklinkers zoals angstschreeuw.

Een recent handboek over taal, in opzet vergelijkbaar met Het Grote Taalboek van Daniels, is getiteld “Kern Nederlands: taal & cultuur” (Breukelman e.a., 2020)

Dit boek bestaat drie delen te weten taal, communicatie en literatuur. In de inleiding komt Paroolcolumnist James Worthy aan het woord. Hij, geen native Nederlandse auteur, legt uit dat hij veel bijlessen nodig had om zich uiteindelijk in helder Nederlands te kunnen uitdrukken. Zijn eerste stukken keek zijn docent na “toen hij voor kruimels schreef”, ze keek zijn stukken na “toen hij voor boterhammen schreef”. En nu hij voor “hele broden schrijft” is zij nog steeds zijn vangnet. Toch bleef hij bang om schrijffouten te maken. We hebben nooit geleerd om van onze taal te houden. We zijn er te bang voor. Maar roept de schrijver op “Stop met bang zijn, taal straft niet, taal troost”! “Het is een grote pan soep vol vermicelli op de eerste dag van de winter”.

Deel 1 over de taal begint met de constatering dat zonder taal het menselijk bestaan niet voor te stellen is. Zet twee personen samen in een ruimte en ze zullen al snel met elkaar praten. En als er niemand is dan praten we tegen onszelf, tegen een huisdier of planten. Dankzij taal kun je het hebben over gedachten, gevoelens maar ook over dromen en fantasieën. Daarmee stelt taal ons in staat de werkelijkheid te vergroten maar ook de onwerkelijkheid. Vele aspecten van taal komen aan bod: hoe taal ontstaat, hoe kinderen taal leren, taal en hersenen, taalachterstanden, dialect (“…een taal die z’n mouwen opstroopt, in z’n handen spuugt…en aan het werk gaat”)

Deel 2 gaat over communicatie dat het terrein van taal verder uitbreidt en uitbouwt. Communicatie gaat over hoe we, gebruikmakend van taal (spraak, schrift, codering etc.) maar ook van lichaamstaal, stemgebruik, intonatie etc. elkaar (proberen te) begrijpen. Dat we er gelukkig ook vaak in slagen elkaar te begrijpen maar dat communicatie ook vaak leidt tot misverstanden, tot miscommunicatie. Iemand heeft in dit verband eens cryptisch doch scherp opgemerkt “communicatie is wat de ander denkt dat jij bedoelt”. Dit deel behandelt inhoud en opbouw van communicatieteksten, verder het bondig en aantrekkelijk formuleren (aandacht vasthouden), het gebruik van argumenten en logica en tal van tekstvormen zoals die ook in het Grote Taalboek voorbij komen. Denk aan brief, verslag, interview, debat etc.

Deel 3 behandelt literatuur, “de kunst van lezen en schrijven” en vormt eigenlijk een illustratie van de samenhang van taal, communicatie en cultuur. Dit gebeurt in de vorm van poëzie en proza, uitgewerkt aan de hand van belangrijke thema’s als oorlog, liefde, verlies, jeugd, identiteit. Dit boek besluit met een geschiedenis van de Nederlandse literatuur en concludeert na een terugblik op tien eeuwen “de literatuur draait door”. Ook de taal draait door want over taal is de mens nooit uitgeschreven en uitgepraat. Daar is dit fenomeen in het menselijk bestaan te belangrijk voor. Dat geldt ook voor communicatie. Nelson Mandela heeft de essentie van beide fenomenen eens kernachtig getracht uit te drukken: “Als je tegen iemand praat in een taal die hij begrijpt dan bereik je z’n hoofd, maar praat je in zijn eigen taal dan bereik je zijn hart”.  Dat noemen we ware communicatie.

Scroll naar boven